Actueel
|
|
Resultaten RIS-project 2008/2009
dorp aantal kinderen Geslaagd Percentage Matta 9 8 90% Washabo 16 13 81% Marshallkreek 5 4 80% Jaw Jaw 9 7 78% Pelgrimkondre
7
4
57% Santigron
9
5
55% Ampoematapoe
13
7
54% Apoera
34
17
50% Johannes
Banda
6
3
50% Foetoenakaba
6
3
50% Manlobi
11
5
45% Gakaba
23
10
44% Palemeu
10
4
40% Wanhati
5
2
40% Kwakoegron
5
2
40% Dan
12
4
33% Balingsoela
19
6
32% Klaaskreek
26
6
23% Brownsweg
45
10
22% Masiakriki
20
4
20% Ligorio
16
2
13%
--------
-------
---------- Totaal
306
126
M = 42%
Donatieverzoek t.b.v. het RIS-project 2008/2009
Nieuwegein, 11 januari 2009
Geachte heer/mevrouw, In oktober 2007 zijn wij gestart met het RIS-project (Reparatie Intellectuele Schade) in Suriname. Het doel van dit project is om het percentage kinderen uit de districten Brokopondo, Sipaliwini en Marowijne dat slaagt voor het Mulo-examen substantieel te verhogen. Aangezien het aandeel geslaagden uit deze drie districten al decennialang onder de 10% lag, meenden wij vorig jaar met onze interventie dit getal te kunnen verhogen tot 30%. Toen wij onze plannen bekendmaakten in Suriname werden wij op venijnige kritiek getrakteerd. De cynische reacties waren niet van de lucht. Volgens de Surinaamse deskundigen in Paramaribo getuigde het project van de zelfoverschatting waaraan vele Surinamers lijden die in Nederland wonen. Ik zou zelf geen verbinding meer hebben met de Surinaamse realiteit. Voor enkelen moest ik zelf op de televisie verantwoording afleggen, dat ik ooit besloten heb in Nederland te gaan wonen. En alsof het niet erg genoeg was, riepen enkelen de Surinaamse bevolking via de media op geen ondersteuning te geven aan dit project. Was deze ervaring niet negatief genoeg om te zeggen: nou, jullie zoeken het maar uit. Nee, want de criticasters waren mensen die geen enkele affiniteit hebben met de kinderen voor wie deze interventie zo belangrijk zou zijn, dus laat je je door hen niet van de wijs brengen. Het project is zonder problemen in oktober 2007 gestart. Binnen het RIS-project krijgen de kinderen van de zesde klas 160 uren per jaar bijlessen in de vakken Nederlands en rekenen. We hebben voor deze vakken gekozen, omdat die het struikelblok vormden om de GLO-toets te halen. De leerkrachten die in de zesde klas les geven, worden ook tijdens de vakanties (want dan komen ze naar de stad) getraind in de vakken Nederlands, rekenen en didactiek. Dit is nodig omdat het grootste deel van hen onbevoegd is (in bezit van een boslandakte). Als deze kinderen en leerkrachten gedurende het hele schooljaar deze ondersteuning krijgen, dan moeten ze in juli (dan vindt de GLO-toets plaats) voldoende niveau hebben, waardoor het slagingspercentage met minimaal 300% omhoog kan gaan. Wij begonnen in oktober 2007 met 23 scholen. Voor december hebben wij enkele uit het project gehaald wegens plichtsverzuim en in februari 2008 moesten wij weer bepaalde scholen uit het project halen, omdat bij toetsing bleek dat het niveau na vijf maanden bijlessen niet significant was gestegen. Vanaf maart 2008 zijn wij met zes scholen verder gegaan. De leerkrachten van deze overgebleven scholen, hadden ondertussen ook al vernomen dat wij een no-nonsense beleid voerden en dat verhoogde de motivatie bij hen om goed te presteren dan ook behoorlijk. Dankzij de donaties die wij van honderden Surinamers in Nederland kregen, waren wij in staat om de controle op en begeleiding van de overgebleven scholen te intensiveren. Dit heeft zonder meer een positieve invloed gehad op het resultaat van het RIS-project, dat er als volgt uitziet: 2008 Naam dorp Aantal leerlingen Geslaagd Percentage Brownsweg 19 19 100% Marshallkreek 3 3 100% Kwakoegron 7 5 71% Brokopondo 34 21 61% Nieuw Lombe 7 3 43% Foetoenakaba 11 4 36% ------ ----- --------- 81 55 66% Als wij in overweging nemen dat deze scholen in het verleden onder de 10% scoorden en dat wij als doelstelling een slagingspercentage van 30% hadden geformuleerd, dan kunnen wij niet anders dan zeer tevreden zijn over deze resultaten. Deze prestatie laat tevens zien dat de veronderstelling dat deze kinderen niet kunnen leren, naar het rijk der fabelen moet worden verwezen. De kritiek dat een interventieprogramma met de allure van het RIS-project alleen kans van slagen zou hebben, als het in de derde of vierde klas start, blijkt misplaatst. Binnen een schooljaar is de achterstand die de kinderen oplopen, weg te nemen als de hoeveelheid lessen in de vakken waarin ze zwak zijn significant wordt verhoogd. In mijn commentaar op de radio en televisie in Suriname heb ik dan ook benadrukt dat wij dit resultaat voornamelijk te danken hebben aan de financiële ondersteuning van Surinamers in Nederland, want de Surinaamse bevolking en het bedrijfsleven in Paramaribo hebben het laten afweten. Alleen van Godobank (SRD 10000), Krediet en Cooperatie Bedrijf DeSchakel (SRD 1000), Sunecon (een ingenieursbedrijf; SRD 500) en Volkskredietbank (SRD 300) ontvingen wij een donatie. Van Surinamers in Nederland ontvingen wij een bedrag van € 8.500 aan donaties. Het RIS-project is in november 2008 weer van start gegaan. In tegenstelling tot vorig jaar bestrijken wij nu ongeveer 50 scholen en zijn er vijf districten opgenomen in het project (Brokopondo, Sipaliwini, Marowijne, Saramacca en enkele inheemse scholen in het district Para). Dit brengt met zich mee dat de financiële kosten navenant zijn gestegen. De leerkrachten die de bijlessen verzorgen ontvangen SRD 15 per uur van ons en dit jaar moeten ze per school 200 uren aan bijlessen verzorgen. Bij dit soort projecten wordt het grootste deel van de kosten gedekt door fondsen en dat zal ook voor het RIS-project gelden. Om te voldoen aan een van de telkens terugkerende voorwaarde (eigen bijdrage 15% van de totale kosten van het project en die bedragen € 269.562) doen wij een beroep op u om een financiële bijdrage te leveren. Dit kunt u doen door eenmalig een bedrag te storten of uw bank de opdracht te geven maandelijks een bepaald bedrag aan ons over te maken. Stichting De Verlichting voert een 100% transparant financieel beleid. Evenals de vorige keer zal ook nu weer in april 2009 een halfjaarlijks financieel verslag worden gepubliceerd op www.julianwith.nl Daar zult u kunnen lezen hoeveel geld er binnen is gekomen, wie de donateurs zijn (indien u bezwaren hebt dat uw naam gepubliceerd wordt, dan zullen wij volstaan met uw initialen) en wat er tot op dat moment met de gelden gebeurd is. Binnen drie maanden na het einde van het project publiceren wij het financieel verslag over het hele jaar. De kans dat de gelden voor andere doeleinden worden aangewend dan bedoeld is, hopen wij met deze werkwijze terug te brengen tot 0. In Suriname zijn er 15 medewerkers die eenmaal per maand een bezoek brengen aan al deze scholen om te controleren of de bijlessen daadwerkelijk worden verzorgd en de leerkrachten die ondersteuning te bieden die ze nodig hebben. Zij zullen ook als postbode fungeren, want we zullen dit jaar met een correspondentieprogramma beginnen, wat inhoudt dat de kinderen in het binnenland gaan corresponderen met hun leeftijdgenoten in Paramaribo die ook in de zesde klas zitten. De brieven zullen over en weer door de controleurs worden besteld. Zij worden gesuperviseerd door de heer Bill Pryor, oud leraar op de A.R. Leeuwinschool. Uw donatie kunt u storten op het rekeningnummer van Stichting De Verlichting te Nieuwegein 1013.21.988. Wij rekenen op uw ondersteuning en verzoeken u deze mail door te sturen aan allen in uw bestand. Voor vragen of nadere informatie kunt u mij bellen (030-6055963) of mailen: julianw@xs4all.nl of julianwith@live.nl DEZE OPROEP GELDT NIET VOOR HEN DIE DIT SCHOOLJAAR AL GEDONEERD HEBBEN. Met vriendelijke groeten, Drs. Julian S. With Coördinator RIS-project P.S. Een fonds heeft ons het aanbod gedaan om het totaal van uw donatie te verdubbelen.
Jaarrekening Resultatenrekening 2007-2008 2006-2007
Opbrengsten Overige opbrengsten € 17.625 € 0 Personeelskosten Overige personeelskosten € 5.102 € 0 + ––––––––– + ––––––––– € 5.102 € 0
Overige bedrijfskosten Autokosten en transportkosten € 3.465 € 0 Andere kosten € 9.169 € 0 + ––––––––– + ––––––––– € 12.634 € 0 Saldo winstberekening € -111 € 0 –––––––––––– –––––––––––– Toelichting op de balans Toelichting op de resultatenrekening 2007-2008 2006-2007 Overige opbrengsten SUBISIDIE NCDO € 17.625 € 0 Overige personeelskosten HONORARIUM LEERKRACHTEN € 5.102 € 0 Autokosten en transportkosten REISKOSTEN/VLIEGTICKET € 3.465 € 0 Andere kosten VERBLIJFSKOSTEN € 2.588 € 0 TELEFOONKOSTEN € 2.998 € 0 DRUKWERK € 780 € 0 BOEKEN/LEERMATERIAAL € 2.383 € 0 INSPECTIEKOSTEN € 420 € 0 + ––––––––– + ––––––––– € 9.169 € 0
*************************************** Decoding the Debate Over the Blackness of Barack Obama Those of us who were born black in the years just after World War II had front-row seats for the collapse of American apartheid. We started out confined to all-black communities and schools at a time when skin color was still destiny. But as segregation gave way, many of us were vaulted out of this sequestered world and into colleges, jobs and walks of life that had been closed to us pretty much since the nation’s founding. The rush of upward mobility produced the inevitable identity crisis, which led in turn to endless discussions about the meaning of blackness in a world where skin color was beginning to matter less and less. At their best, these discussions, held in college dorm rooms at night, were probing, serious and heartfelt. At their worst, they turned into lectures by the race police — ’60s-era ideologues who characterized blackness not as a matter of individual interpretation or choice, but as a narrow set of attitudes and experiences that were said to make up the authentic black identity. Back then, black Americans who came from successful, suburban and upwardly mobile families were regularly dismissed as white or inauthentic. The authentic black experience, it was said at the time, was limited to the hard-core, impoverished upbringing that black people often chose to brag about, even when they had actually grown up with private prep schools in the lap of luxury. The race police ran rampant in the black community itself, but were rarely heard in the white world. But they have been parading up and down Main Street since Senator Barack Obama of Illinois — the son of a black African father and a white American mother — made clear that he intended to seek the Democratic presidential nomination. The arguments being raised about Mr. Obama’s blackness — or his lack of blackness — seem positively antique at a time when Americans are moving away from the view of ancestry as a central demographic fact and toward a view that dispenses with those traditional boundaries. Even so, the complaints about Mr. Obama provide an interesting opportunity to examine the passing of the old and the rise of the new. The claim that the candidate isn’t really black because his mother is white carries little weight under either system. It makes no sense at all to the young Americans who checked more than one box when identifying themselves by race in the last census. They subscribe to a fluid notion of race and seem perfectly willing to let people describe themselves racially any way they choose. Nor does the charge make sense in the black community itself. That community has historically and eagerly embraced as black anyone and everyone with any African ancestry to speak of. That embrace often included interracial families, who lived in black communities long before they were accepted elsewhere. It included even blue-eyed, sandy-haired people like the civil rights leader Walter White, whose black ancestry was imperceptible to the naked eye. The carpetbagging black Republican Alan Keyes opened up this racialist can of worms when he opposed Mr. Obama in the Illinois Senate race back in 2004. Badly outmatched and reaching for any brick he could find, Mr. Keyes blurted out that Mr. Obama was not black because he was not descended from slaves. The Daily News columnist Stanley Crouch later seemed to second that view, saying that Mr. Obama had not “lived the life of a black American.” The heritage of slavery is of course central to African-American life. But that is a fairly recent recognition for many of us who grew up black in the second half of the 20th century. Black families like mine dealt with the stigma and humiliation of slavery by simply suppressing it. My older uncles, for example, grew up in regular contact with relatives who had been born into slavery, but never mentioned it to me. Silence about slavery at home was matched by neglect of the topic at school. As a result, I was nearly 40 years old and writing a book about my family when I stumbled upon the news of my enslaved relatives in a newsletter from a small historical society. The claim that Mr. Obama has not lived the typical African-American life is closer to the nub of what bothers his black traditionalist critics. Their complaint goes right back to the race police of the 1960s who decreed that the only authentic black experience was one that featured hardship and crushing encounters with racism, preferably with an urban American backdrop. Mr. Obama missed out on that part while growing up an introspective child, longing for his missing father, in Hawaii and Indonesia. He stumbled onto the mysteries of race in his own good time and pursued them in his own way. His quest took him to an impoverished community on the South Side of Chicago, where he worked as an organizer in an infamous public housing project before discovering his vocation as a politician. His critics are at least right when they describe his journey as a departure from the customary stereotype. But they are fundamentally wrong when they try to argue that the journey described in his affecting 1995 memoir, “Dreams From My Father,” is somehow incompatible with blackness. At bottom, the hue and cry over Barack Obama’s identity stems from a failure by black traditionalists to recognize multiracial versions of themselves. Soon enough, perhaps by year’s end, however, the Obama story, which seems so exotic to so many people now, will have found its place among all the other stories of the sprawling black diaspora.
Nieuwe kennis uit het oude moederland Nederlandse stagiairs in Suriname komen daar niet alleen om zelf iets te leren Elk half jaar wordt Paramaribo bedeeld met een nieuw contingent Nederlandse stagiairs. Ze zijn gewild, want ze brengen kennis mee. Zelf leren ze vooral een andere cultuur en het leven kennen. Wie begin twintig en Nederlands is, krijgt overal in Paramaribo dezelfde vraag. "Ben je allang hier. Je loopt stage, no?" De Nederlandse stagiair is een begrip in Suriname. De blonde meisjes en jongens met roodverbrande hoofden vallen bijna niet meer op. Elk half jaar arriveren er drie vliegtuigladingen met vooral hbo'ers, veel meisjes en vooral studenten in een sociale richting. Ze komen naar Suriname om zich onder te dompelen in een land met een andere cultuur, waar ze wel gewoon Nederlands kunnen spreken. En Surinaamse organisaties en bedrijven zijn blij dat ze deze maatschappelijke werkers en verpleegkundigen in spe kunnen ontvangen. Dat komt niet alleen doordat het goedkope arbeidskrachten zijn. Sommige stagiairs in het bedrijfsleven krijgen stagevergoedingen tot wel 300 euro per maand, geen ongewoon maandsalaris in Suriname. Nynke Pool, die via Stageloket Suriname stageplaatsen zoekt voor studenten, vertelt dat men in Suriname graag Nederlanders in dienst heeft. Mede omdat ze soms kennis meebrengen die in het land schaars is. "Opleidingen communicatie, journalistiek, maatschappelijk werk, die heb je hier allemaal niet." Bij de stichting Ilse Henar-Hewitt, die juridische bijstand geeft aan vrouwen, konden ze bijvoorbeeld leren van een stagiair met een sociaal-juridische opleiding, vertelt medewerkster Lindsey Donokarijo. Die hadden meer geleerd over hoe ze met cliënten moeten omgaan dan de eigen juristen bij de organisatie. Donokarijo vertelt dat die gewend waren alleen juridisch te denken: als een vrouw mishandeld wordt en wil scheiden, dan helpen ze de echtscheiding te regelen. "Maar later blijkt dat die vrouw eigenlijk geen scheiding wil. Zo'n student haalt dat in een gesprek uit." Ondanks dat ze in Suriname vaak hun eerste werkervaring opdoen, wordt van stagiairs soms dan ook veel verwacht. Student communicatie Jennifer Kiewiet (21) bijvoorbeeld, werd op haar stageplaats meteen aangeduid als "degene die verantwoordelijk is voor alle pr". Kiewiet: "Terwijl ze dit bij mij op school een snuffelstage noemen." Voor stagiairs is het soms moeilijk dat de Surinaamse praktijk afwijkt van de theorie die ze op school hebben gehad. Veel van hen hebben dezelfde verhalen. Over de taakverdeling op hun stageplaats, die zo onduidelijk is dat het lijkt alsof iedereen alles - of niets - doet. Of over dat er zo weinig op papies is vastgelegd dat ze constant aan collega's moeten vragen hoe alles moet. Efficiency lijkt geen prioriteit te hebben. Afspraken gaan niet door. En dan de faciliteiten, die zoveel kariger zijn dan in Nederland. Pool krijgt regelmatig telefoontjes van studenten in verwarring: "Ze hebben hier een internet!" Ze zucht. "Ze moeten Nederland en Suriname gewoon niet met elkaar vergelijken." Op de vraag of ze wel iets leren van hun Surinaamse stage, reageren studenten lichtelijk vertwijfeld. Improviseren misschien? Jennifer Kiewiet, die stage loopt bij de Nationale Vrouwenbeweging zegt: "Ze kunnen misschien meer van mij leren dan andersom." Nynke Pool van het stageloket, die zelfs als stagiaire naar Suriname kwam en nu samenwoont met een Surinamer, denkt dat studenten wel veel leren, maar dan vooral 'over het leven'. Sommige stagiairs zijn pas een jaar of 19 en wonen in Suriname voor het eerst op zichzelf. En dan ook nog in een vreemde cultuur, die sommigen vanuit Nederland nauwelijks kenden. Kiewiet komt bijvoorbeeld van Ameland en daar wonen nul Surinamers. In Paramaribo proberen opeens alle jongens haar aandacht te trekken, ze roepen 'psssst' en 'Sneeuwitje' en toeteren als ze langsloopt. Kiewiet: "Verschrikkelijk." Verder werd ze op haar eerste stagedag om half acht verwacht en ze wilde ruim op tijd zijn, zoals ze gewend is. "Stond ik daar om kwart over zeven in mijn eentje. Ze kwamen pas om tien over half acht!" Lukas Koelikamp (24) heeft minder moeite zich aan te passen. Hij loopt stage bij de Esther Stichting, een woonvoorziening voor voormalige leprapatiënten. Ondanks dat hij er pas een maand is, flirt hij al als een echte Surinamer. Als hij een rondje maakt, beginnen zowel patiënten als verpleegsters te glimmen. "Dag mevrouw Kemper!" zegt hij . "Alla sani boen?" Koelikamp, die maatschappelijk werk studeert, ziet wel dat alles niet ze gestructureerd en goed geregeld is als in Nederland. Maar, zegt hij op een bankje onder een boom. "Ik heb het gevoel dat dit ook een goede manier is om te leven. Minder stress, meer tijd om te relaxen." Bovendien is hij onder de indruk van de gastvrijheid. Hij heeft allerlei mensen leren kennen, die hem hebben meegenomen naar feestjes, op uitstapjes buiten de stad of om bij ze te komen eten. Koelikamp: "Een Nederlander zal nooit zeggen: He, daar lopen mensen uit Nigeria, laat ik die eens rondleiden in Groningen en hutspot voor ze koken." Of ze moeten wennen of niet, de stagiairs vermaken zich in ieder geval uitstekend. In het weekend zitten ze met elkaar aan het zwembad, op het terras, of gaan ze naar Colakreek om te zwemmen. Bijna iedereen volgt salsalessen. Ze leren Surinamers kennen, gaan naar feestjes, maken nog een reis naar het binnenland. En uiteindelijk, zegt Pool, gaat bijna iedereen huilend terug naar huis. Elske Schouten (NRC Handelsblad, 3 januari 2007) *************************************************** Oprah Winfrey, Fulfilling Pledge to Mandela, Opens South African School for Girls By Celean Jacobson Associated Press JOHANNESBURG, Jan. 2 -- Talk show host Oprah Winfrey opened a school Tuesday for disadvantaged girls, fulfilling a promise she made to former president Nelson Mandela six years ago. "I wanted to give this opportunity to girls who had a light so bright that not even poverty could dim that light," Winfrey said at a news conference. Initially, 152 girls will attend the $40 million Oprah Winfrey Leadership Academy for Girls.
Mandela, 88, attended the opening ceremony of the school in the small town of Henley-on-Klip, south of Johannesburg. He looked frail as he was helped onto the stage by his wife, Graca Machel, and Winfrey. But he beamed with joy and his speech resonated with pride. "It is my hope that this school will become the dream of every South African girl and they will study hard and qualify for the school one day," he said in a firm voice. The project that created a 28-building campus with computer and science laboratories, a library, a theater and a wellness center began with a $10 million donation from Winfrey in 2002. On Tuesday, Winfrey rejected suggestions that the school was elitist and unnecessarily luxurious. "If you are surrounded by beautiful things and wonderful teachers who inspire you, that beauty brings out the beauty in you," she said. Singers Tina Turner, Mary J. Blige and Mariah Carey, actors Sidney Poitier and Chris Tucker, and director Spike Lee also attended the opening. Winfrey, who does not have children, said she was building a home for herself on the campus to spend time with the girls and be involved in their education: "I love these girls with every part of my being." Many of the students come from families affected by AIDS; an estimated 5.5 million of South Africa's 48 million people are living with HIV, which hits women disproportionately hard. "Girls who are educated are less likely to get HIV-AIDS, and in this country which has such a pandemic, we have to begin to change the pandemic," she said. Winfrey referred repeatedly to her own impoverished childhood and said she was grateful that she at least had a good education, declaring this to be "the most vital aspect of my life." The idea for the school was born in 2000 at a meeting between Winfrey and Mandela. She said she decided to build the academy in South Africa rather than the United States out of love and respect for Mandela and because of her own African roots. Winfrey's academy received 3,500 applications from across the country. A total of 152 girls ages 11 and 12 were accepted. To qualify, they had to show both academic and leadership potential and have a household income of no more than $787 a month. Plans call for the academy eventually to accommodate 450 girls. Lesego Tlhabanyane, 13, proudly wore her new green and white uniform at the ceremony to raise the South African flag. "I would have had a completely different life if this hadn't happened to me. Now I get a life where I get to be treated like a movie star," she said.
Legendary singer James Brown dies at 73 By GREG BLUESTEIN, Associated Press Writer ATLANTA - James Brown, the dynamic, pompadoured "Godfather of Soul," whose rasping vocals and revolutionary rhythms made him a founder of rap, funk and disco as well, died early Monday, his agent said. He was 73. Brown was hospitalized with pneumonia at Emory Crawford Long Hospital on Sunday and died around 1:45 a.m. Monday, said his agent, Frank Copsidas of Intrigue Music. Longtime friend Charles Bobbit was by his side, he said. Copsidas said the cause of death was uncertain. "We really don't know at this point what he died of," he said. Along with Bob Dylan and a handful of others, Brown was one of the major musical influences of the past 50 years. At least one generation idolized him, and sometimes openly copied him. His rapid-footed dancing inspired Mick Jagger and Michael Jackson among others. Songs such as David Bowie's "Fame," Prince's "Kiss," George Clinton's "Atomic Dog" and Sly and the Family Stone's "Sing a Simple Song" were clearly based on Brown's rhythms and vocal style. If Brown's claim to the invention of soul can be challenged by fans of Ray Charles and Sam Cooke, then his rights to the genres of rap, disco and funk are beyond question. He was to rhythm and dance music what Dylan was to lyrics: the unchallenged popular innovator. "James presented obviously the best grooves," rapper Chuck D of Public Enemy once told The Associated Press. "To this day, there has been no one near as funky. No one's coming even close." His hit singles include such classics as "Out of Sight," "(Get Up I Feel Like Being a) Sex Machine," "I Got You (I Feel Good)" and "Say It Loud — I'm Black and I'm Proud," a landmark 1968 statement of racial pride. "I clearly remember we were calling ourselves colored, and after the song, we were calling ourselves black," Brown said in a 2003 Associated Press interview. "The song showed even people to that day that lyrics and music and a song can change society." He won a Grammy award for lifetime achievement in 1992, as well as Grammys in 1965 for "Papa's Got a Brand New Bag" (best R&B recording) and for "Living In America" in 1987 (best R&B vocal performance, male.) He was one of the initial artists inducted into the Rock and Roll Hall of Fame in 1986, along with Presley, Chuck Berry and other founding fathers. He triumphed despite an often unhappy personal life. Brown, who lived in Beech Island near the Georgia line, spent more than two years in a South Carolina prison for aggravated assault and failing to stop for a police officer. After his release on in 1991, Brown said he wanted to "try to straighten out" rock music. From the 1950s, when Brown had his first R&B hit, "Please, Please, Please" in 1956, through the mid-1970s, Brown went on a frenzy of cross-country tours, concerts and new songs. He earned the nickname "The Hardest Working Man in Show Business," and often tried to prove it to his fans, said Jay Ross, his lawyer of 15 years. Brown would routinely lose two or three pounds each time he performed and kept his furious concert schedule in his later years even as he fought prostate cancer, Ross said. "He'd always give it his all to give his fans the type of show they expected," he said. With his tight pants, shimmering feet, eye makeup and outrageous hair, Brown set the stage for younger stars such as Michael Jackson and Prince. In 1986, he was inducted in the Rock and Roll Hall of Fame. And rap stars of recent years overwhelmingly have borrowed his lyrics with a digital technique called sampling. Brown's work has been replayed by the Fat Boys, Ice-T, Public Enemy and a host of other rappers. "The music out there is only as good as my last record," Brown joked in a 1989 interview with Rolling Stone magazine. "Disco is James Brown, hip-hop is James Brown, rap is James Brown; you know what I'm saying? You hear all the rappers, 90 percent of their music is me," he told the AP in 2003. Born in poverty in Barnwell, S.C., in 1933, he was abandoned as a 4-year-old to the care of relatives and friends and grew up on the streets of Augusta, Ga., in an "ill-repute area," as he once called it. There he learned to wheel and deal. "I wanted to be somebody," Brown said. By the eighth grade in 1949, Brown had served 3 1/2 years in Alto Reform School near Toccoa, Ga., for breaking into cars. While there, he met Bobby Byrd, whose family took Brown into their home. Byrd also took Brown into his group, the Gospel Starlighters. Soon they changed their name to the Famous Flames and their style to hard R&B. In January 1956, King Records of Cincinnati signed the group, and four months later "Please, Please, Please" was in the R&B Top Ten. Pete Allman, a radio personality in Las Vegas who had been friends with Brown for 15 years, credited Brown with jump-starting his career and motivating him personally and professionally. "He was a very positive person. There was no question he was the hardest working man in show business," Allman said. "I remember Mr. Brown as someone who always motivated me, got me reading the Bible." While most of Brown's life was glitz and glitter, he was plagued with charges of abusing drugs and alcohol and of hitting his third wife, Adrienne. In September 1988, Brown, high on PCP and carrying a shotgun, entered an insurance seminar next to his Augusta office. Police said he asked seminar participants if they were using his private restroom. Police chased Brown for a half-hour from Augusta into South Carolina and back to Georgia. The chase ended when police shot out the tires of his truck. Brown received a six-year prison sentence. He spent 15 months in a South Carolina prison and 10 months in a work release program before being paroled in February 1991. In 2003, the South Carolina parole board granted him a pardon for his crimes in that state. Soon after his release, Brown was on stage again with an audience that included millions of cable television viewers nationwide who watched the three-hour, pay-per-view concert at Wiltern Theatre in Los Angeles. Adrienne Brown died in 1996 in Los Angeles at age 47. She took PCP and several prescription drugs while she had a bad heart and was weak from cosmetic surgery two days earlier, the coroner said. More recently, he married his fourth wife, Tomi Raye Hynie, one of his backup singers. The couple had a son, James Jr. Two years later, Brown spent a week in a private Columbia hospital, recovering from what his agent said was dependency on painkillers. Brown's attorney, Albert "Buddy" Dallas, said singer was exhausted from six years of road shows. ****************************************************************************
NRC Handelsblad, 7 november 2007 Geen tijd Venetiaan voor Van Ardenne Dat de intensieve drugscontroles op Schiphol bij vluchen uit Paramaribo de Surinaamse regering al geruime tijd hoog zitten was bekend. Hoe hoog bleek gisteren weer eens toen minister Van Ardenne (CDA, Ontwikkelingssamenwerking) geconfronteerd werd met enkele even subtiele als diplomatiek ongebruikelijk harde protesacties. Tijdens regulier bezoek van Van Ardenne aan haar Surinaamse collega Van Ravenswaay weigerden de hoogste ambtsdragers van heet land, president Venetiaan en vice-president Sardjoe, de Nederlandse minister te ontvangen voor het gebruikelijke beleefdheidsbezoek. Officieel wegens ‘gebrek aan tijd’. Mar goed geïnformeerde bronnen rond Venetiaan bevestigen da de actie alles te maken heeft met de beruchte honderdprocentcontroles. De behandeling van de Surinaamse minister Amarello-Williams, die twee weken geleden op Schiphol in het openbaar gefouilleerd werd, zou de directe aanleiding zijn. Al eerder leidden soortgelijke incidenten tot felle protesten van Surinaamse ministers en parlementariërs. Van Ardenne kreeg tijdens haar bezoek meer protestsignalen. Bij ontvangst op de luchthaven was het niveau van het protocol teruggeschroefd: slechts enkele lagere ambtenaren begroetten de minister. Het gebruikelijke politie-escorte voor hoge buitenlandse gasten werd alleen ingezet voor de rit van het vliegveld naar de stad. Binnen Paramaribo moest de bewindsvrouw het zonder doen. En de traditionele persconferentie ter afsluiting van het bezoek, die gepland stond in het kabinet van het staatshoofd, werd uiteindelijk in een hotel gehouden. Daar zei Van Ardenne dat ze begrip heeft voor de drukke agenda van de Surinaamse regering en dat ze “zich niet kan voorstellen” dat er “een strafexpeditie” aan de gang zou zijn. De minister herhaalde dat het Nederlandse standpunt over de noodzaak van de drugscontroles. Ze benadrukte dat zowel Nederlands als buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders gelijk worden behandeld. Wel noemde ze de opgelopen emoties over de drugscontroles, die voor vluchten uit diverse landen gelden, “spijtig”. “We kennen geen enkel land in de wereld waar het zo hoog oploopt als hier”, aldus de minister. Het Surinaamse parlement praat vandaag opnieuw over de kwestie. Een meerderheid vindt dat er “een duidelijk signaal” aan Nederlnad moet worden gegeven. Geldstroom migranten naar land van herkomst belangrijke bron voor lokale economienieuwsbericht | 27-10-2006 | Directie Voorlichting Contant geld houdt economische ontwikkeling tegen Geldovermakingen van migranten wereldwijd naar het land van herkomst overstijgen het totale bedrag aan officiële ontwikkelingshulp. Ook vanuit Nederland wordt veel geld overgemaakt, onder andere naar Suriname en Marokko. Voor het eerst is in kaart gebracht om hoeveel geld het gaat en hoe deze geldstromen productiever ingezet kunnen worden. Veel geld wordt nog cash overgebracht en dat houdt de ontwikkeling van de lokale economie tegen. Meer transparantie over kosten, betere (afstemming van) regelgeving, inspelen op wensen van migranten en versterking van de financiële sector in ontwikkelingslanden zijn voorwaarden voor een gezond transactiesysteem. Geldovermakingen hebben een groot ontwikkelingspotentieel: zij zijn een bron van armoedeverlichting en economische groei. Maar als deze geldstromen niet via banken worden overgemaakt maar cash worden overgebracht, kan dit geld niet worden doorgeleend aan ondernemers en op die manier, via investeringen door ondernemers, een stimulans voor de economie vormen. De onderzoeken zijn uitgevoerd in opdracht van NFX (Netherlands Financial Sector Development Exchange) en het Ministerie van Financiën. Overeenkomsten en verschillen tussen Marokko en Suriname Er zijn in Nederland 325.000 Surinamers en een zelfde aantal Marokkanen. Per jaar maken zij in totaal meer dan 200 miljoen euro over naar het land van herkomst. Het financiële verkeer tussen Nederland en beide landen is voor het grootste gedeelte (circa 70 procent) in oorsprong en in doel cash geld. Zowel in Nederland als in de ontvangende landen wordt in klinkende munt betaald en uitbetaald en is alleen het tussenliggende traject (mogelijk) giraal. Deze bewerkingsslagen kosten uiteraard veel geld, dat zo aan de Marokkaanse en Surinaamse economie wordt onttrokken. Dat is een gemiste kans, gegeven het feit dat een grote meerderheid van Marokkanen en Surinamers hier een bankrekening heeft. Marokkanen maken bij het overmaken van geld echter liever gebruik van andere kanalen, zoals geldtransactiekantoren (47%), zelf cash geld meenemen (16%) en moskeeën (6%). Bij Surinamers zijn de marktaandelen als volgt verdeeld: banken (29%), contant geld meenemen (16%), geldtransactiekantoren (47%), en 8% via overige kanalen. Banken onderbenut Uit de onderzoeken komen vijf problemen naar voren: hoge kosten, intransparantie over kosten en snelheid, gebruik van informele banken, voorkeur voor cash-based remittances (money transfers en geld zelf meenemen) en onderbenutting van het formele bankkanaal. Onderbenutting van het bancaire kanaal heeft drie belangrijke oorzaken. In de eerste plaats is de interesse van Nederlandse banken voor ontwikkeling van toegesneden producten, nog beperkt. Voorts is het aantal mensen in Marokko en Suriname met een bankrekening nog beperkt als gevolg van slecht ontwikkelde financiële stelsels. Tenslotte is er gebrekkige aansluiting van betaalsystemen in ontwikkelingslanden op die in Europa. Aanbevelingen
Het Ministerie van Financiën en NFX zullen in overleg treden met Nederlandse en buitenlandse banken om deze aanbevelingen te bespreken en een vervolg te formuleren. Vergelijking Marokko/Suriname
Conferentie NFX Op 2 november organiseert NFX een conferentie over financiële sector ontwikkeling in de Beurs van Berlage. Om 14.00 zal minister Zalm in een speech ingaan op geldovermakingen en deze twee studies. Van 14.30 tot 16.00 volgt een discussie met banken, geldtransactie-kantoren, migrantenorganisaties en toezichthouders over dit onderwerp. ********************************** Aidsbeleid Zuid-Afrika idioot De Zuid-Afrikaanse regering propageert een idioot en afwijkend aidsbeleid, dat heeft de speciaal gezant van de Verenigde Naties voor aids, Stephen Lewis, gezegd aan het slot van de 16de internationale aidsconferentie in Toronto. “Zuid-Afrika is het ergste van allemaal”, zei Lewis, die dit jaar afscheid neemt als speciaal gezant. “Het is het enige Afrikaanse land, van alle landen die ik bezocht heb in de afgelopen vijf jaar, waarvan de regering nog steeds bot, traag en onachtzaam is als het gaat om de verspreiding van aidsmedicatie.” Lewis beklaagde zich erover dat Zuid-Afrika hem het werken in dat land onmogelijk heeft gemaakt. Naar schatting 5,3 miljoen Zuid-Afrikanen zijn besmet met hiv, het virus dat aids veroorzaakt. Ondertussen demonstreerden aidsactivisten in het Zuid-Afrikaanse Kaapstad tegen de minister van Gezondheid, Manto Tshabalala-Msimang. Zij veroorzaakte tijdens de aidsconferentie opschudding door opnieuw ‘traditionele’ voeding aan te prijzen als remedie tegen aids. De Zuid-Afrikaanse stand in Toronto toonde een uitstalling van mandjes met onder meer citroen, knoflook, rode biet en ‘Afrikaanse aardappel’. Pas later werden flessen met aidsremmers toegevoegd. De aidsactivisten eisten de arrestatie van de minister. Volgens hen moet onderzoek plaatsvinden naar onnodige doden als gevolg van haar beleid. Ze zou de verstrekking van aidsmedicatie vertragen. Lewis was bijna nog harder in zijn uitspraken: “Zuid-Afrika is het enige land in Afrika, waarvan de regering doorgaat met het verspreiden van theorieën die eerder een gek waardig zijn dan een betrokken en zorgzame staat.”
Guuske Ledoux liegt dat toenemende angst voor elkaar de verklaring is voor de toename van het aantal 'zwarte' scholen. Witte ouders verwijderen hun kinderen van scholen als er volgens hen te veel allochtone kinderen daarop zitten of ze schrijven hen niet eens in op deze scholen, dit uit racistische overwegingen, maar zoals wij witte mensen kennen: of ze nou onderzoekers zijn of niet, ze zullen altijd hardnekkig ontkennen dat rassendiscriminatie het motief is van de witte ouders om hun kinderen van deze scholen weg te halen of hen helemaal niet in te schrijven. Hoezo angst voor elkaar, als alleen acties van de witte ouders ten grondslag liggen aan het ontstaan van deze scholen?
Het
bestuur van het Amsterdamse radiostation Tamara onderzoekt wat voor juridische
stappen er genomen kunnen worden tegen het NOS-programma ‘Met het oog op
morgen’ en de zogeheten programmamaker Prim Radhakisun.
In
het programma, Met het oog op morgen van zaterdag 17 juni j.l., heeft Radhakisun
zich beledigend uitgelaten tegenover personen van wat hij noemde
‘negroide afkomst’. Ook noemde hij met name makers van radio Tamara,
Owen Venloo, Iwan Bottse e.a., gefrustreerde negers. ging over hoe in Surinaamse en/of Antilliaanse kring gedacht wordt over het feit dat verschillende spelers van Surinaamse en of Antilliaanse afkomst uit de Nederlandse nationale voetbalselectie zijn gelaten. Voor dit Item in ’t Oog op morgen’ benaderden medewerkers het radiostation Tamara met de vraag of zij fragmenten van een phone-inn met luisteraars ter beschikking zouden willen stellen voor het programma.
Tijdens de phone-inn gaven luisteraars van Tamara hun mening over het onderhavige onderwerp. Het bestuur van omroep Tamara betreurt het ten zeerste dat Radhakisun niet de bal maar op de man speelde om zodoende zijn eigen frustraties op anderen die zich ter plekke niet konden verdedigen, te botvieren.
Verder vindt men het jammer dat de makers van het programma MET HET OOG OP MORGEN, Radhakisun een podium hebben verschaft om haatzaaiende teksten te spuien over mensen van Afro-Surinaamse en Antilliaanse komaf.Op verzoek van clubleden van Tamara zal onderzocht worden welke juridische stappen ondernomen kunnen worden tegen de NOS en Prim Radhakisun. ********************************************
***********************************************
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|